De Raadsels en de Man

Waarom ik elke keer weer naar hem toe ga weet ik niet precies. Het is niet dat hij dichtbij woont namelijk. Integendeel. Soms moet ik bijna een uur reizen om bij zijn appartementencomplex te komen. En wat ik bij hem ga doen is ook nooit helemaal duidelijk. Het is vreemd, maar op een of andere manier heeft hij me gegrepen. Hij heeft iets dat me intrigeert. Als een goedhartige hypnotiseur heeft hij me in zijn macht en ik vind het niet erg. Absoluut niet zelfs.

Zijn appartement op de bovenste verdieping kijkt uit over de stad. Geregeld zit hij mijmerend naar buiten te staren als ik binnen kom; zijn blik als lange voelsprieten die zijn omgeving voorzichtig aftast. Hoe vaak hij al niet heeft gezegd dat je bij helder weer de kust kunt zien, weet ik niet meer. Waarschijnlijk is het nooit helder geweest wanneer ik er was, ik heb er nog geen bewijs van gezien. Toch geloof ik hem op zijn woord.
Er hangt een mysterieuze sfeer rond hem en rond zijn woning. Er klopt iets niet. Alsof hij niet vastgeklonken zit aan onze wereld. Dat hij soms als een geest kan verdwijnen om andere werelden te bezoeken. Vrij kun je het noemen. Ook ongrijpbaar en af en toe gewoonweg vreemd. Ik kan daar niks aan veranderen. En dat wil ik ook niet.
Het feit dat hij altijd blij is om me te zien, geeft me een goed gevoel. Het is niet zo dat hij om een praatje verlegen zit of eenzaam is. Eerder ziet hij in mij een zielsverwant. Een gelijksoortige. Het kan ook zijn dat ik me dat wil doen geloven, want ik kan hem eigenlijk maar heel moeilijk peilen.

Vandaag start hij met een verhaal. Verhalen daar houdt hij van. En ik, om eerlijk te zijn, ook. Hij kan zo gepassioneerd en meeslepend vertellen dat ik me soms helemaal verlies in zijn woorden. Hij slokt me op in zijn werelden en laat me vergeten hoe lelijk het buiten kan zijn.

Deze keer gaat het over een onfortuinlijke man uit India die om een of andere reden continu witte rook uitademende. Al vanaf zijn geboorte. Alsof hij bij elke inademing een flinke trek van een sigaret nam. Dokters en specialisten konden niet vinden waar het aan lag, de rook was namelijk wel een natuurlijk product, een biologische mix van zuurstof, CO2 en waterdamp. In zijn longen was niks te zien, er waren geen afwijkingen te vinden die er op wezen waarom dit vreemde fenomeen plaatsvond. Het was er gewoonweg. Als een voldongen feit.

“Een einde aan zijn levende hel.”

De man had weinig te lijden onder zijn kwaal, er was geen pijn of iets dergelijks. Daarentegen had het een flinke psychologische invloed; hij werd een outcast en verstoten uit de maatschappij. Als een freak.
‘De mens reageert angstig als hij iets ziet dat hij niet gewend is. Heel begrijpelijk, maar ook heel dom’, zei hij hoofdschuddend en liet zijn stem bedenkelijk klinken. ‘Mutaties worden op die manier uitgebannen. En dat hebben jullie nodig, om te kunnen overleven in deze tijd.’

De onfortuinlijke man kon niet omgaan met het sociale isolement. Hij wilde een einde maken aan zijn mentale lijden, een einde aan zijn levende hel. Hij besloot zichzelf te doden. Met zijn dood wilde hij iedereen zich ervan bewust maken van hun pesterijen. Een politiek statement maken, zeg maar. Daarom koos hij er voor om zichzelf midden op het dorpsplein in brand te steken. Op een vrijdagmiddag, net voor het gebed.
In een kleermakerszit overgoot hij zichzelf stelselmatig met benzine en zonder enige vorm van twijfel stak hij zichzelf vervolgens aan met een luciferstrijk. Een intense steekvlam ontbrandde hem in een fel vuur. Een menigte vormde rond hem heen. Ze probeerden de vlammen te doven, maar hoeveel water ze er ook overheen goten, het vuur bleef branden en zwol bij elke golf alleen maar aan. Als een brandende olie-pan op het fornuis.
Een heel etmaal lang heeft de man als een fabrieksschoorsteen bloedrode rook uitgestoten. De rookpluim was tot kilometers ver in de omtrek te zien en de stank die het produceerde was onmenselijk.
‘Een mix van geroosterde botten en bedorven woede’, noemde men het. De complete omgeving werd doordrenkt in de geur. Maandenlang hadden de mensen het nog in hun huizen hangen.
Of dit de mens er anders naar heeft laten kijken is maar de vraag, want nog voordat hij ophield met smeulen ging de wereld gewoon door zonder er ooit over te praten. Heel cru. Alsof de man nooit had bestaan.
‘Het is belangrijk om open te staan voor mutaties’, zei mijn verhalenverteller met een diepe zucht.

“Zijn ogen liepen langzaam leeg.”

Hij leek ineens afwezig, alsof het verhaal hem herinnerde aan een weggestopte gedachte of een nare gebeurtenis. Hij keek me doordringend aan zonder echt te kijken. Zijn gezicht ging op slot. Ik schoof ongemakkelijk heen en weer op mijn stoel. Langzaam begonnen zijn ogen leeg te lopen, totdat hij me niet meer zag en dwars door me heen keek.
‘Ben je er nog?’, zei ik met een onzekere grinnik.
Hij draaide zijn hoofd traag naar het uitzicht van de stad. Ik probeerde het nogmaals, maar kreeg geen respons. Ik heb hem zo achtergelaten, maar weet: morgen brengt altijd weer iets nieuws.