De Stank van Vrijheid – Hoofdstuk I

Ik ontwaak met een leeg gevoel in mijn hoofd, het formaat van het universum. Om een of andere reden sta ik rechtop en ben buiten. Hoe ik hier ben beland, mag Joost weten. Voor me staat een vrouw. Een glimlach prijkt op haar lippen. Het licht om ons heen is zacht, alsof de zon wordt geaaid door een lichte mist. Een golfslag laat zich kalmpjes horen op de achtergrond. Als ik om me heen kijk, zie ik dat we ons op een strand bevinden. We zijn er alleen.
De vrouw is aantrekkelijk, maar niet mooi. Zo’n onbegrijpelijke tegenstrijdigheid in schoonheid, bijna mooi. Waar heb ik haar toch eerder gezien? Bewegingsloos staat ze voor me, haar ogen continu op mij gericht. De wind fladdert onder haar blouse en laat de stof sierlijk bewegen als een dwarrelend blaadje in de herfst. Met haar wijsvinger verwijdert ze de lok die voor haar ogen hangt. De handeling lijkt een betekenis te hebben, alsof ze geregisseerd is om dit te doen.

Langzaam buig ik door mijn knieën en zet mezelf neer. Met mijn linkerhand klop ik op de lege plek naast me. Ze reageert volgzaam en gaat zitten. Ik ruik haar zoete lichaamsgeur als ze vederlicht naast me neer daalt. Haar ogen zitten vol verwachting, alsof ze er op wacht dat ik de stilte doorbreek. Bij de branding is een hond aan het spelen met een stok. Ik wijs er heen. Ze lacht verlegen.
‘Is die van jou?’, vraag ik.
Ze knikt en komt wat dichterbij zitten. Met haar warme dij vleit ze tegen de mijne aan. Ik sla mijn arm om haar heen. ‘Je komt me zo bekend voor, waar hebben we elkaar eerder ontmoet?’
De vrouw kijkt me vragend aan en zegt: ‘Weet je niet wie ik ben?’
‘Mijn geheugen is de laatste tijd niet wat het geweest is.’
‘Het maakt ook niet uit, het is toch goed zo?
Daar heeft ze gelijk in. Wat maakt het uit dat ik me haar niet herinner, het gevoel is goed.
De zon breekt door de wolken en ik geniet van de warmte die mijn huid verwarmt. De tijd lijkt te verstrijken als een trage zandloper. Naar mijn idee zitten we er al uren als ze opstaat om de hond te roepen. Wanneer het beest haar stemgeluid hoort, kijkt het op en komt naar haar toegerend. Het blaft en kwispelt als ze met haar handen over de vacht strijkt. ‘Kom, we gaan’, zegt ze tegen mij. Ik sta op en sla het zand van mijn broek. In een rustige looppas wandelen we richting de duinen.

Waarschijnlijk ben ik haar geliefde, maar waarom kan ik me haar dan niet herinneren? Is dit misschien een droom? Dat kan toch niet. Het voelt ook te echt om een droom te zijn: haar hand in mijn palm, het zand tussen mijn tenen, de zon in mijn nek. Dit moet echt zijn.
Ze stuurt me lichtjes richting een strandhuis, gebouwd in de duinen met een houten trap die op het strand begint. ‘Herinner je je deze ook niet?’, fluistert ze vriendelijk.
Om eerlijk te zijn niet, maar het enige wat ik doe is glimlachen. Ze gaat me voor de trap op en we komen op een grote veranda met witte hangmatten en luie strandstoelen.
‘Ga maar alvast zitten, dan haal ik wat te drinken’, zegt ze en gaat naar binnen. Ik vlei me neer op een zachte strandstoel. De hond nestelt zich naast me op de grond en valt in een diepe slaap. Af en toe maakt het ontevreden gromgeluidjes.
Na een poosje komt ze terug met twee drankjes en neemt plaats op de strandstoel naast me. Zonder te spreken zitten we tot de zon onder gaat.

Naast het ruisen van de zee, onze kalme ademhaling en de hond die af en toe gromt, is het stil.
‘Ik wil je wat vragen.’
Haar stem klinkt serieus en onderzoekend. Ik zie alleen haar silhouet. ‘Toen je zei dat je niet wist wie ik was, maakte je een grapje, toch?’
Er begint een krekel naast ons te tjirpen. Haar ademhaling is vlug. Ik bedenk wat ik moet zeggen. ‘Op het strand vanmiddag zag ik jou voor het eerst in mijn leven. Dat klinkt onwaarschijnlijk vreemd, maar ik weet heel weinig over wat er daarvoor heeft afgespeeld. Alsof ik een lange tijd buiten bewustzijn was en wakker ben geworden met acuut geheugenverlies.’
‘Je kunt je niks meer herinneren?’ Ze lijkt te twijfelen.
‘Helemaal niks.’
‘Ook niet als je hard je best doet?’
‘Wat bedoel je?’
‘Focus eens op je herinneringen. Met je ogen dicht.’
Ik sluit mijn ogen en concentreer me op het verleden. Waar was ik voordat ik op het strand belandde? Hoe ben ik hier gekomen? Lopend of eerst met de auto? Of ben ik eerst in het huisje geweest en daarna naar het strand gegaan?
Er komt niks naar boven. Er is alleen een gapende leegte.
‘Kun je je herinneren waar je bent opgegroeid?’, zegt ze.
‘Ehm… Nee. Dat is raar.’
‘Of wat er zich de laatste periode heeft afgespeeld op politiek en wetenschappelijk vlak?’
Er zit een lichtelijke agitatie in haar stem en ik weet niet helemaal hoe ik hier op moet antwoorden.
‘Eh.. Nee, ook niet. Ik heb eigenlijk geen idee in welke tijd we leven, het is allemaal een onduidelijke waas.’
‘Dan hebben we niks aan je op deze manier’, zegt ze op een zakelijke toon.
‘Wij? Wie zijn wij?’
Ze antwoordt niet. Al het geluid is van het ene op het andere moment verdwenen. Alles lijkt nu ook opeens stil te staan. Ik probeer te bewegen, maar zit vast. Het is alsof de wereld in een fractie van een seconde is gevuld met een sneldrogende wax die alles heeft stopgezet in zijn laatste treden – Pompeï is er niks bij.

De zwartheid rondom smeert zich uit en er beginnen bubbeltjes te ontstaan op mijn belevingswereld. Ik wil het uitschreeuwen, maar zit klem tussen de stilstaande tijd en de duisternis. De bubbeltjes verspreiden zich verder en lijken te koken, steeds heviger, totdat de wereld als een foto kapot scheurt en alles in een fel wit licht dompelt.