Vijftien momenten tot de verschijning

1
Na een blinde hoek op Stralauer Halbinsel werd het zwart voor zijn ogen. De botsing even roekeloos als ongeremd. Metaal en rubber kwamen in een geforceerde dans met vlees en adrenaline, als een vreemdsoortige Tinguely sculptuur; ontstaan door blindheid en snelheid. Er werd tegen Mezo gesproken, woorden die hij niet begreep, ze klonken Chinees of een andere taal die hij niet verstond. Het zwart op zijn bewustzijn begon weg te lekken in wanstaltige druipers. Elise en haar fiets lagen bovenop hem. Een aantal omstanders hielp hen terug op de been. Het geluid van de botsing galmde nog na in zijn hoofd. Het had hard geklonken, hard en meedogenloos. Achteraf zag Mezo dit als iets positiefs, hij wist dat liefde soms zo behoorde te zijn. Elise vond dat niet, daar kwam hij pas later achter.
2
Geregeld voelde hij zich vermiljoen, zoals hij zich het centrum van zijn lichaam voorstelde, zo rond de omgeving van zijn alvleesklier, daar ergens. Met dat gonzen en pulseren en al die activiteit. Dan was hij gegrond. Vaker bekeek hij zichzelf vanaf een afstand, vanuit de struiken als hij langs liep of vanachter een hoek op straat, wegduikend bij een bijna ontdekking. Een purpere gewaarwording.
3
De foto op de koelkast van de racefiets van Elise Marie Stahl, geparkeerd voor haar appartement in Neukölln, Isarstraße 8. Met stickers van activistische leuzen en afbeeldingen van grafische kunstenaars. Waar maar twee versnellingen van werkten en de achterband hard toe was aan vernieuwing. De fiets die ze op slot zette met een cijferslot van de Action (de code waarschijnlijk 0000). Het vervoermiddel waarbij, na de aanrijding met Mezo, het achterwiel en de rem meer piepten dan eerst.
4
Mezo Günther (Oberhausen, 1998) is kunstenaar en woonachtig in Berlijn. In zijn werk bevraagt hij de macht van de Tech-molochs en zoekt naar ontregeling van de online systemen in al hun facetten. Bij zijn serie ‘Big Brother Is Touching Me’ gaat hij actief op zoek naar de camera-auto's voor Google Streetview om zichzelf gefotografeerd te krijgen. Vaak in T-shirts met activistische statements of banners met leuzen die commentaar geven op de invloed van de Tech-giganten en het grootkapitaal. Een ander aspect van de serie zijn manshoge afdrukken van hemzelf, geplakt in het publieke straatbeeld, voor de camera-auto's om vast te leggen. Vergelijkingen met Banksy worden al gemaakt, maar eveneens met Jon Rafman of stadgenoot Nasan Tur.
5
In het bijzijn van vreemde mannen verscheen er vaak een monster: groen, harig en met grote klauwen. Monsters behoorden in kooien, wist Elise. Die mochten niet ontsnappen. Bij haar studie psychologie aan de Humboldt werden dit soort wezens uitvoerig behandeld. Ieder schepsel kreeg een classificatie en een label, zoals in een rariteitenkabinet. Op sterk water plaatsen was echter onmogelijk want deze monsters lieten zich niet doden; er bestond geen zilveren kogel voor of een houten staak. Haar eigen monsters wist ze te temmen, vertelde ze, die zaten aan de lijn. Slechts af en toe wist er een te ontsnappen. Dat noemde ze menselijk.
6
Elise haalde een lok weg voor haar ogen, haar naakte lichaam in de middagzon. Beheerst vertelde ze dat ons brein een construct is van herinneringen en waarnemingen, bewust en onbewust. Volgens Jung was er sprake van een collectief onbewuste die we als mens hadden opgedaan in onze lange evolutionaire geschiedenis. Hierin vond je angsten en verlangens en daarmee dus een collectief herinneringssysteem. Wat eveneens in haar ogen weer uitwerking had op het collectieve bewustzijn. En dus ook bij dit digitale herinneringssysteem dat zich nu aan het ontvouwen was en waar Mezo zoveel kritiek op gaf. Hij duwde zijn neus in haar nek en grinnikte dat onze psyche toch compleet op seks was gericht. Dat was Freud met zijn fratsen, zei Elise kortaf. Freud was af en toe een rare knakker, bijna dogmatisch zelfs. Buiten trok een vrachtwagen hard op, een kind schreeuwde moord en brand. Ze rookten hun sigaret in stilte.
Elise wilde weten hoe Mezo herinnerd wilde worden. Ze blies de rook krachtig uit naar het plafond. Je project gaat overduidelijk over herinneren, zei ze. Mezo antwoordde zonder twijfel dat hij de eeuwigheid voor ogen had. Haar blik was onderzoekend bij zijn irreële verlangen. Ze vond de eeuwigheid een lange tijd. Vind je jezelf dan zó belangrijk dat je voor altijd herinnerd moet worden? Hij keek opzij en vroeg zich af waar hij dan anders voor leefde: als dat niet mijn streven is, wat heeft het bestaan dan voor zin? Elise drukte de peuk uit op het koffiekop-schoteltje naast het bed. Zin... Sjezus Mezo, het leven is toch compleet zinloos. Hij zag dat niet zo. Ze zuchtte. De kans bestond ook nog eens dat je helemaal niet herinnerd zal worden, of misschien zelfs niet positief, zei ze. Er was namelijk een verschil tussen herinneren en zichtbaar zijn. Mensen konden ook een afkeer van je krijgen, dat je de meest gehate persoon ooit werd. Dat vond hij irrelevant: bestaan is bestaan.
Ze ging rechtop zitten en keek hem aan. Was hij niet huiverig voor dit alles-onthoudende systeem waar hij nu mee experimenteerde? De digitale cloud werd door sommigen al vergeleken met een goddelijk geheugen, dat alles zal onthouden. Van iedereen, van onze diepste verlangens tot onze grootste geheimen. Was het niet tegenstrijdig dat Mezo commentaar gaf op die systemen, maar het ook inzette voor zijn werk? Hij keek voor zich uit en krabde aan zijn slaap. Hij keek een tikkeltje betweterig. Haar opmerking deed hem denken aan ‘Funes de Allesonthouder’ van Borges. Funes herinnerde zich ook alles, tot op ieder detail. Zelfs zo ver dat hij ieder blad aan iedere boom in ieder bos wist terug te halen en iedere keer dat hij het had waargenomen. En dat het een kwelling was. Mezo stond op om het boek te pakken. Hij wist meteen te vinden wat hij zocht. Met zijn vinger langs de regels las hij dat Funes zijn geheugen als een soort vuilnisbelt zag. Hij bladerde verder en noemde een passage met Funes als onderwerp: ‘Hij had moeiteloos Engels, Frans, Portugees en Latijn geleerd. Toch vermoed ik dat hij niet erg goed in staat was tot denken. Denken is verschillen vergeten, is generaliseren, abstraheren. In de stampvolle wereld van Funes bestonden alleen maar details, die elkaar bijna verdrongen.’
Mezo sloot het boek en legde het op het nachtkastje. Bedoelde hij dat hoe groter het geheugen was, hoe kleiner de kans was dat het adequaat onthield? Elise pakte het boek op om erin te bladeren. Mezo knikte: niks was gegarandeerd bij een geheugen.
7
Bij twee klikken was haar gezicht te zien. Een uiterlijk dat zich ergens bevond tussen maniakaal en een diepe trance. Bij andere klikken was haar hoofd geblurd. Deze trancestaat had Mezo vaker geconstateerd. Opperste concentratie noemde zij het. Hij vond dat ze de complete wereld vergat, misschien zelfs het hele bestaan van haar lichaam. Dat haar ogen zich naar binnen draaiden en de kant opkeken van onbegrensde werelden. Tevens de plek waar haar monsters vrij gemakkelijk uit de kooi werden gelaten. Het maakte haar blind. Mezo was verrast dat hij haar op Stralauer Halbinsel aantrof. Met iedere klik kon hij haar volgen over het pad langs de dorpskerk, het kerkhof en richting het ontmoetingscentrum, haar knokkels wit bij de greep op het stuur. Ineens twijfelde hij of het niet de dag van hun ongeluk was. Die rode trui droeg ze niet vaak. Iedere klik werd het duidelijker. De camera-auto kon niet bij de exacte locatie komen, maar in de verte zag je hun werelden botsen: een pixelachtige aanvaring, niet meer dan een vlekkerige samensmelting. Toch stonden zijn armhaartjes overeind: een herinnering die bestond. En dan ook nog eens zo'n belangrijke. Een paar kliks verder waren ze beide verdwenen. Mezo ging terug en liet hen heen en weer wippen tussen kennen en niet kennen, tussen pijn en pijnloos, tussen liefde en eenzaamheid.
8
Hij voelde zich steeds vaker purper, onduidelijk waarom. Enkel in bed met Elise was hij vermiljoen. Haar terugkerende afwezigheid deden zijn monsters groeien tot reuzen, ze klauwden uit zijn gezicht en grepen haar bij de keel of stompten haar in de zachte delen. Mannen kregen felle ogen, schaduwen in de verte werden agenten. Mezo schreeuwde dat zij hem met rust moesten laten. Elise legde uit dat monsters machtig kunnen zijn, dat ze de controle hebben om je realiteit te vervormen. Mezo had niet geluisterd. Of misschien wilde hij niet luisteren.
9
‘De vraag uit het publiek is of je iets meer kunt vertellen over dat kunstwerk.’
‘Ja, maar wacht, ik wil eerst even terugkomen op het geheugen. De mens heeft een kwaliteit die niet veel voorkomt in het dierenrijk: wij kunnen als enige diersoort herinneren op de lange termijn. Misschien zie je overeenkomsten nog terug bij kraaien, olifanten of dolfijnen, maar verder niet. Wij zijn hun meerdere door onze taal en ons schrift. Maar je kunt je afvragen of dat een vloek of een zegen is. Zijn de zes seconden van een goudvis eigenlijk niet veel beter dan onze gigantische herinneringsstructuren? En waarom zijn we zo bang om vergeten te worden? Zelfs als we weten dat dit een garantie is: ga vier of vijf generaties terug en je herkent je eigen familie niet meer. Alles van de hedendaagse mens wordt vastgelegd, moeten we dat willen? Ondanks dat ik zelf ook soms het eeuwige leven ambieer, moeten we niet terug naar die vergeetachtigheid? Terug naar het belang van het heden? Zodat we dit binnen onze ‘zes seconden’ achter ons laten. Dood aan Google? Is dat dan de oplossing? Wie weet.’
10
Door de luidruchtigheid van het terras en de werkzaamheden ernaast wist Elise niet of haar woorden het doel hadden bereikt. Deze blik had ze niet eerder bij hem gezien, deze tegenstrijdige combinatie van totale paniek en volledige berusting. Mezo mompelde iets onduidelijks over zijn steeds purper wordende blik en haar onverwachte doortraptheid. Elise probeerde zijn hand te pakken, maar deze werd weggetrokken. 'Jouw monsters zijn niet aangelijnd, Elise. Verre van zelfs. Ze zijn het bovendien nooit geweest. Die van mij zijn tenminste eerlijk.'
11
De geur van haar parfum aan het einde van de dag op zijn T-shirt, de manier hoe ze stilletjes de slaapkamerdeur sloot als ze vroeg weg moest voor haar bijbaan, de vreemde gezichten die ze onbewust trok als ze naar een televisieprogramma keek, haar heldere opmerkingen aan de ontbijttafel waarbij Mezo eerst nog koffie nodig had, hun handen die perfect in elkaar pasten.
12
Op straat zag hij zichzelf lopen. Zijn evenbeeld pakte lijm uit zijn tas en rolde een stuk papier uit, hij smeerde het papier op een muur. Zijn gezicht was enorm, op zijn voorhoofd stond een provocatieve zin. Gezichten waren de spiegel van de geest. Gezichten waren steeds vaker donkerpurper. In het bijzijn van zichzelf kroop hij naar zijn doppelgänger, hield zijn adem in, en dook weer weg als hij bijna ontdekt werd. Hoe dichtbij kon hij komen? Zijn voetstappen onzichtbaar, zijn adem warm. Tien, negen, acht, zeven. Het vermiljoen leek een halve levensduur verwijderd.
13
Elise was verdwenen. Ze was nergens meer te vinden. Bij iedere klik was ze weg. Een droefheid overmande hem. Hij had gehoopt dat hun start nog bestond - in ieder geval dát dan nog. Er klopte iets niet. Elise was weggegomd, maar de aanvaring was er nog wel: je zag Mezo tegen iets hards aanbotsen - als tegen een onzichtbare natuurkracht - maar geen fietsende Elise. Er was ook iemand toegevoegd: een schaduw van een man, misschien drie meter van hem verwijderd. Het gestalte had iets purperachtig, als een gloed. Een glitch? Ter controle bezocht hij de andere locaties van zijn kunstwerken - Ritterstraße, Storkowerstraße, Karl-Marx-Allee - hier was alles normaal. Bij de Reichstagufer plakte hij zijn eigen afbeelding op een tijdelijke afrastering. Wederom een discrepantie. Wederom stond er een man over zijn schouder mee te kijken. Een schaduw als een monster. Zijn herinnering van die dag was anders.
14
Mezo probeerde in de nacht te ontsnappen, maar al wat hij vond waren donkere hoeken en harde muren, zijn hoofd en schouders stootten er telkens pijnlijk tegenaan. Een overduidelijk bewijs, wist hij: in deze wereld stootte je gegarandeerd ergens tegenaan. Het maakte het buiten onbereikbaar, als het verlangen naar ruimtereizen zonder daadwerkelijke raket om er te geraken - de zuurstofoceaan als zijn gevangenis. Over de muren gleden schaduwen van vreemde lichamen. Ze hadden hem zelfs hier gevonden, mompelde hij. Zelfs hier, verdomme. Op de muur vond je de restanten van zijn strijd, op zijn knokkels de korsten. In de ochtend hoorde hij bij het open raam een buurjongen op een synthesizer willekeurige toetsen aanslaan. Hij voelde overeenstemming met de disbalans van het onervaren spel. Het zorgde plots voor een openbaring: ook valsheid was een natuurkracht.
15
Tijdens de nazomer of misschien zelfs de vroege herfst, verscheen in Kreuzberg, vanachter een blinde hoek, plots Elise. Mezo schrok en trok met een felle ruk aan zijn stuur. Ze misten elkaar op een haar. Kijk uit waar je rijdt, lul! Mezo fietste snel door. Hij was vergeetachtig. Was dat Elise? Het was bewolkt. Of wie was Elise ook alweer? De wolken donkerpurper. Aan het einde van de straat begon het te regenen. Zijn lichaam was week. Zijn brein draaide in zijn schedel, zijn vingers klikten. Aan het einde van de straat nam hij iets nieuws waar: aan het einde van de straat vond Mezo een nieuwe schaduw.