Is Christopher Nolan een archetype kunstenaar?
Deel 1
Filmregisseur Christopher Nolan heeft al een lange reeks films van hoge kwaliteit op zijn naam staan. Denk aan Memento (2000), Inception (2010), Interstellar (2014) en zijn nieuwste film The Odyssey (2026), de vertolking van het epische gedicht van Homerus. Met deze laatste spiegelt hij zich aan de grootsten uit onze kunstgeschiedenis. Maar is hij ook een van de grootsten? Bestaat er zoiets als archetype kunstenaars en, zo ja, waar moeten die dan aan voldoen? Een onderzoek.
Met zijn doorbraakfilm Memento had Nolan een vernieuwende verteltrant. De film beschrijft het verhaal van een oud verzekeringsagent die problemen heeft met zijn kortetermijngeheugen en alleen een paar minuten terug kan herinneren. Het verhaal wordt in omgekeerde chronologische volgorde verteld, waarbij elke scène terugdraait in de tijd om het publiek in dezelfde verwarrende positie te plaatsen als de hoofdpersoon. Het bewees dat intelligente, niet-conventionele thrillers commercieel haalbaar konden zijn buiten het pure arthouse. Er was veel erkenning voor met awards als de Best Breakthrough Filmmaker en de Best Screenplay. Ook bij Inception kwam Nolan met een verrassend idee: wat als je dromen kunt hacken en in verschillende bewustzijnslagen kunt inbreken om daar een idee te planten? Zogenaamde droomstelers hacken tijdens de slaap het brein van een persoon om telkens een laagje dieper het onbewuste binnen te dringen tot ze bij de kern komen voor het planten van het idee - een afdaling als in Dantes hel. Na ontwaken is de gehackte onbewust van de actie en beschouwt het als een idee dat uit zichzelf is gekomen. Het behandelt ons onbewuste als een trapsgewijze afdaling naar een kern - iets waar psychoanalyticus Carl Gustav Jung ook in geloofde, maar daar zo meteen meer over. Met Interstellar lukte het Nolan om nogmaals met een vernieuwende blik te komen, deze keer op het heelal. Terwijl een toekomstige wereld gebukt gaat onder droogte en uitputting door extreme klimaatsverandering, begint een NASA-piloot samen met andere ruimtevaarders aan een zoektocht naar nieuwe werelden ver buiten ons zonnestelsel - en komt daar tot de ontdekking dat het heelal, hoe vreemd ook, hem uiteindelijk weer terug naar huis leidt. Een meeslepend en spannend verhaal met de magnitude van Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey (1968). Er zijn overeenkomsten met beide regisseurs. Beiden houden van actiefilms, beiden hebben gekozen voor sciencefiction en ook beiden zoeken de controverse op, alhoewel de film Oppenheimer (2023) ‘controverse light’ is ten opzichte van Kubricks Lolita (1962); de verfilming van het boek van Vladimir Nabokov dat veel stof deed opwaaien vanwege de gesuggereerde ophemeling van pedoseksualiteit. Kubricks werk zit op het randje van arthouse en mainstream, net als dat van Nolan.

John William Waterhouse - Odyssee en de Sirenen (1891)
Een belangrijke inspiratiebron voor Kubrick - en een andere grootheid - was Akira Kurosawa. De Japanse regisseur wordt door veel filmmakers op handen gedragen. Spike Lee maakte zelfs vorig jaar nog een remake van High and Low (1963) (getiteld Highest 2 Lowest) en Martin Scorcese noemt hem zijn ‘meester’. Steven Spielberg heeft de financiering van de laatste films van Kurosawa geregeld. Maar ook filmmakers Werner Herzog en Jean-Luc Godard roemen Kurosawa om zijn narratieve durf en visuele compositie naast de uitzonderlijke montage en framing. De Japanner heeft zichzelf ook gemeten met grootheden uit de kunstgeschiedenis: hij heeft bijvoorbeeld de roman De idioot (1869) van Fjodor Dostojevski verfilmd en blies nieuw leven in Shakespeares Koning Lear (1606) met de film Ran (1985). Dat klassieke verhaal gaf hij een originele vorm door het te laten afspelen in het feodale Japan en elementen uit de theatertradities van Noh en Kabuki erin te verweven, een stuk origineler dan de vertolking van de Odyssee door Nolan. Kurosawa geeft een nieuwe insteek aan een klassieker, terwijl Nolan zich vrij netjes aan het verhaal houdt, bijna woord voor woord (alhoewel, hoe Telemachus zijn ouders noemt, ‘dad’ en ‘mom’, is natuurlijk geen onderdeel van het meesterwerk), waardoor hij de klassieker niet perse overstijgt en vooral een visuele vertelling ervan maakt. Wel met het sausje Nolan erover, maar deze is toch vrij dun.
Toch, als je spreekt over een archetype kunstenaar, waar moet die dan aan voldoen? De psycholoog Carl Gustav Jung behandelt archetypen in zijn analytische psychologie: universele, oorspronkelijke beelden en patronen die in het collectief onbewuste van alle mensen aanwezig zijn. Hij ziet het als bouwstenen van de menselijke ervaring die zich manifesteren in mythen, dromen, religies, kunstuitingen en gedragspatronen over culturen en tijden heen. Daarin benoemt hij meerdere persoonlijkheidstypes, waaronder de Wijze, de Held, de Magiër, maar ook de Kunstenaar of Schepper die orde brengt in chaos, de drang heeft om te creëren, verder kijkt dan het gewone en tweezijdig is: in geniale productie en zijn innerlijke persoonlijke strijd. De theorie van Jung komt sterk overeen met de Ideeënleer van de Griekse filosoof Plato. In de allegorie van de grot heeft de filosoof het over de mens die vastgebonden zit in een caverne met een vuur achter hem en een rotsmuur voor hem. Hij kan zijn hoofd niet draaien. Alles wat voor het vuur langs loopt wordt als een schaduw weergegeven op de rotsmuur. Plato’s idee was dat wij in onze werkelijkheid alleen de schaduwen zien en niet wat er daadwerkelijk voor het vuur langsloopt. Dat zijn de archetypen van de dingen die we waarnemen: het paard, de stoel of de berg. Maar ook sociale rollen en hun idealen — zoals het goede staatsmanschap of de ware kunstvaardigheid. Volgens Jung zitten de archetypische persoonlijkheidstypes in ieder mens, de ene meer dan de ander.
Klopt dan de stelling van kunstenaar Joseph Beuys: 'Jeder Mensch ist ein Kunstler'? Is er geen onderscheid te maken tussen iemand die af en toe achter een schildersezel zit of iemand die er dag en nacht mee bezig is? Beuys bedoelde er trouwens iets anders mee dan je eerste ingeving bij de stelling. De Duitse kunstenaar was lid van de Fluxus-beweging die de grenzen tussen kunst en het leven op wilde rekken. Hij geloofde dat creativiteit een menselijke grondkracht was, maar ook dat de samenleving zelf een kunstwerk was dat iedereen helpt vorm te geven. Hier zie je vergelijkingen met Jungs collectieve onbewuste, alhoewel er bij Beuys sprake is van actief handelen. Hij sprak van Sociale Plastik waarbij het handelen van de mensheid de maatschappij 'beeldhouwt'. Hij maakt wel duidelijk een onderscheid tussen de gewone mens en ‘daadwerkelijke’ kunstenaars.
Maar wat zijn dan de karaktereigenschappen van een archetype kunstenaar? En kan je Christopher Nolan er een noemen? Lees volgende keer meer in deel 2.